Kennis /

Raad voor Cultuur benadrukt belang van e-cultuur

— "Innoveren, participeren!" zo heet het op 6 maart verschenen advies van de Raad voor Cultuur (volledige titel: "Advies agenda cultuurbeleid en culturele basisinfrastructuur"). Naast een globale visie over de toekomst van de cultuursector in Nederland bevat het rapport een reactie op de nota "Verschil maken over de cultuurnotasystematiek". Voor de nieuwe media sector biedt het advies veel hoop. E-cultuur is wederom een speerpunt in het beleid. Nieuwe media instellingen worden geprezen om hun prestaties en een aantal maatregelen worden voorgesteld die overeenkomen met de aanbevelingen uit de sector zelf.

Cultureel burgerschap en mediawijsheid als leidraad
De verregaande consequenties van digitalisering en medialisering vormen een leidraad voor het hele rapport. Veel nadruk wordt gelegd op de veranderende rol van alle culturele instellingen in dit opzicht, als bemiddelaars in plaats van beheerders van cultuur. Bij het hoofdstuk over archieven bijvoorbeeld, wordt e-cultuur de belangrijkste ontwikkeling genoemd. Niet alleen de kunstinstelling krijgt een andere rol, ook de burger. Cultureel burgerschap, een overkoepelend begrip in het rapport, houdt onder anderen in, dat men ‘mediawijs’ moet worden. Dit is geen nieuw thema voor de Raad (zie rapport mediawijsheid 2005). Er wordt echter niet ingegaan op concrete maatregelen om mediawijsheid te stimuleren, terwijl in het Regeerakkoord aanbevelingen worden gedaan voor een nieuwe expertisecentrum voor media-educatie.

Experiment en Innovatie
De Raad pleit voor een Minister van cultuur, media en innovatie, die bovendien een coördinerende taak zou krijgen ten aanzien van het gehele kabinetsbeleid op dit thema. Innovatie wordt genoemd de belangrijkste aspect van het hele rapport en er wordt een beroep gedaan op de hele overheid om meer te investeren in innovatie.

Voor de cultuursector betekent dit onder andere dat er meer geld moet worden vrijgemaakt bij fondsen en instellingen voor experiment en vernieuwing – niet alleen artistieke vernieuwing maar ook ‘vermaatschappelijking’. ‘Vooral projecten op het terrein van nieuwe media en e-cultuur vinden moeilijk aansluiting bij de cultuurfondsen...’ In plaats van een nieuwe interregeling stelt de Raad voor om een apart budget voor projecten op het terrein van nieuwe media en e-cultuur vrij te maken: ‘Aan de hand van flexibele criteria kunnen hieruit projecten worden ondersteund die vooronderzoek, verkenning en productie behelzen en afkomstig zijn van een groep aanvragers de buiten de boot valt bij de sectorale fondsen en grote innovatieprogramma’s.’ (30)

Hierin volgen zij de aanbevelingen die zijn gedaan voor zeven nieuwe media instellingen in een lobbybrief aan de kabinetsformatie in december 2006.

Cultuur en economie
Verder wordt de samenwerking tussen de Ministeries van OCW en EZ op het gebied van culturele economie beoordeeld als te beperkt, zowel op financieel gebied als ook op andere criteria. Nodig is ‘meer ruimte voor onderzoek en innovatie alsmede meer structuur voor de vele kleine ad-hoc initiatieven’. ‘Bij innovatie in de cultuur- en mediasector gaan de gedachten uit naar niet-technologische en technologisch productinnovatie, naar de ontginning van nieuwe markten , naar de ontwikkeling van nieuwe businessmodellen, alsmede naar vormen van sociale en maatschappelijke innovatie in relatie tot cultuur en media. Dat alles vergt forse investering, zowel in tijd als in geld. De mogelijkheden van het bestaande programma voor de creatieve industrie ... is ten enenmale niet toereikend om echte innovatie te bewerkstelligen... De Raad sluit zich aan bij de oproep van zeven nieuwe media instellingen om de cultuursector over de volle breedte veel actiever te betrekken bij de innovatieagenda. Speciale aandacht gaat daarbij uit naar op innovatie gericht wetenschappelijke programma. De Raad verwijst daarom als instelling naar het pleidooi in de brief .. voor een cultuur- en wetenschapsprogramma.’(31)

Ontschotting
Het rapport besteedt veel aandacht aan het belang van samenzwering en afstemming tussen instellingen, sectoren, en ook tussen cultuur en andere beleidsterreinen. Dit vraagt om ‘deskundige, betrouwbare en onafhankelijke verwijsfuncties en intermediaire functies’ (19). Als eerste stap wordt de samenwerking gezien tussen de verschillende netwerken van culturele instellingen, die bereid moeten zijn kennis met elkaar te delen en op zoek te gaan naar ‘betekenisvolle cross-overs’. Ook moeten allianties worden aangegaan met de werkvelden van onderwijs en wetenschap. ‘Zo vragen veel aanbevelingen, bijvoorbeeld die voor een innovatie programma en die voor het borgen van een digitaal publiek domein, om verregaande samenwerking en ontschotting tussen verschillende onderdelen van de rijksoverheid.’(34)

Vrije toegang tot het publieke domein.
De Raad pleit voor een virtuele openbare ruimte met publieke content en uit ook haar zorg over ‘het beheer van de digitale infrastructuur’. In 2007 komt de Raad met een aanvullend advies over het publieke domein en auteursrecht.

De instellingen
Er wordt positief gereageerd over de stand van zaken van de nieuwe media instellingen, die door de Raad worden behandeld onder de sector beeldende kunst & vormgeving. ‘Zij vormen een bijzonder actief en energiek onderdeel van de sector’. (83)

Het Nederlands Instituut voor Mediakunst en Virtueel Platform worden gezien door de Raad als ‘ondersteunend’ van aard en dienen deel uit te maken van de basisinfrastructuur. Verder wordt een select aantal instellingen gerekend tot de basisinfrastructuur, ‘die structureel functies vervullen op het gebied van productie, presentatie, onderzoek, experiment en vernieuwing, op een zodanige manier dat daaraan landelijk belang toegekend kan worden.' Genoemd worden Waag Society, het NIM, V2, Mediamatic, SubmarineChannel en Droog Design. (83)

Virtueel Platform
‘Bij het formuleren van beleid voor de komende periode zijn niet alleen deze aspecten van belang, maar ook de vraag hoe de noodzaak tot overzicht, informatie, expertise en afstemming het beste gestalte kan krijgen. Extra aandachtspunten daarbij zijn waarborging van continuïteit en schaalgrootte.’ Virtueel Platform blijft een onderdeel van de basisinfrastructuur en wordt door een dergelijk rol te blijven vervullen, erkend als belangrijke speler binnen e-cultuur. De Raad ziet een verdere taak voor VP bij het nieuw op te zetten fonds voor nieuwe media projecten: ‘Vanuit het streven naar een heldere infrastructuur en omwille van de vindbaarheid verdient het aanbeveling dit budget niet onder te brengen bij een van de bestaande sectorale fondsen. Koppeling aan het Virtueel Platform, het ... expertisecentrum en projectbureau op het gebied van e-cultuur, ligt meer in de rede. De Raad acht dit een beter instrument dan de Interregeling nieuwe stijl, omdat zo meer recht wordt gedaan aan de urgentie en de eigenheid van dit gebied.’ (31)

Lees hier het nieuwsbericht van de Raad voor Cultuur

Tags

Facebook comments